Geluk bij een ongeluk

Laura fietste naar huis. Gewoonlijk fietste ze met haar jongere broertje uit school naar huis, maar die lag nu ziek op bed. Er waren geen andere kinderen die haar richting uit moesten, dus moest ze alleen. Laura vond dat niet erg. Heerlijk, om na een drukke dag op school in haar volle klas, even alleen te zijn. Het was wel jammer dat het zo waaide. De herfst was net begonnen, maar het was al erg koud. Dat kwam door de wind uit het oosten en ook de zon liet zich niet zien. Er was een echte herfststorm op komst, hadden ze op het journaal gezegd, maar dat zou pas eind van de middag zijn. Laura vond dat het nu al stormde. Ze had tegenwind en moest hard trappen om vooruit te komen.

Het was heel rustig op het fietspad, iedereen was vast al lang thuis. Laura was wat later omdat ze op school nog even was blijven hangen. Samen met haar beste vriendin Inge zou ze een project doen en daar hadden ze nog even over gekletst. Het was echt heel stil op straat. Ze had haar moeder een berichtje gestuurd met haar telefoon, dat ze iets later was. De telefoon was erg handig, door een berichtje te sturen hoefde haar moeder zich geen zorgen te maken en kon Laura lekker nog even kletsen op het schoolplein. Toen ze nog geen telefoon had, moest ze altijd snel naar huis fietsen, want al na een kwartier werd haar moeder ongerust. Laura begreep dat niet, wat kon er nou gebeuren? Maar ze vond het niet fijn als haar moeder zich zorgen maakte.

De wind leek wel steeds harder te worden en Laura voelde ook al enkele druppels in haar gezicht spatten. Bah, ook nog regen erbij, dacht ze en ze trapte nog steviger door. Maar ineens vloog er een tak over het fietspad. Laura schrok ervan, ze raakte bijna van het fietspad af. De storm was echt al begonnen! Ze vond het niet fijn dat ze nu alleen moest fietsen. Gelukkig hoefde ze niet heel ver meer, ze was al op de helft.

Plotseling viel de regen met bakken naar beneden, alsof iemand in de wolken een groot luik had open gezet. Het was ook meteen pikkedonker. Het zou verstandig zijn als ze haar licht aan zou zetten, maar daarvoor moest ze afstappen en ze wilde zo snel mogelijk thuis zijn. Afstappen was dus geen fijn idee. Maar toen een scooter haar inhaalde en haar bijna van haar fiets reed, bedacht ze dat een lampje toch wel handig was. In de stromende regen stapte ze van haar fiets om haar voor- en achterlicht aan te zetten. Het leek een overbodige handeling, toen direct een felle lichtflits door de lucht schoot en alles even fel verlichtte. Laura schrok, onweer vond ze echt niet fijn. Ze voelde zich alleen en verdrietig. Ook was ze moe van het trappen tegen de wind in. Maar schuilen had geen zin, ze moest door, ze wilde naar huis. Na de volgende bocht ging het fietspad langs een autoweg. Daar zou ze niet meer zo alleen zijn, auto’s zouden er vast nog wel rijden.

Toen Laura de bocht om ging, kwam de wind meer van de zijkant. Dat fietste bijna net zo ongemakkelijk als tegen de wind in. Ze werd voortdurend naar de andere kant van het fietspad geblazen. Ineens vloog er een tak in haar wiel. Het voorwiel blokkeerde en Laura viel hard tegen de natte vieze grond. Haar fiets viel bovenop haar en het stuur porde in haar zij. Alles deed pijn en ze was helemaal doorweekt. Dikke tranen stroomde over haar wangen. Ze wrong zich onder haar fiets vandaan om haar telefoon uit haar jaszak te kunnen pakken. Ze wilde haar moeder bellen, maar haar telefoon deed helemaal niks meer! Waarschijnlijk was ze er bovenop gevallen. Laura moest nog harder huilen. Wat nu gedaan? Haar fiets was kapot, het regende nog steeds pijpenstelen en ze had overal pijn. Vooral haar enkel voelde niet goed, hij knelde in haar laars. Huilend bleef ze zitten. Haar moeder zou haar vast gaan zoeken als ze niet thuis kwam, tot die tijd zou ze wachten, in de stromende regen en met het onweer vlak boven haar. Ze was bang. Doodsbang. Hoe lang zou het duren voordat mama haar zou gaan zoeken? Rillend van de kou keek ze om zich heen. Er waren niet veel auto’s, het was donker en koud. In de verte zag ze een auto aankomen. Zou dat haar moeder zijn? De auto reed met een vaart voorbij, dat was mama dus niet. Misschien moest ze toch maar proberen te gaan lopen, maar haar enkel deed zo’n pijn. Hinkelen dan misschien, maar de fiets reed ook niet meer. Terwijl ze stond te hannesen met haar fiets, hoorde ze dat er een auto achter haar stopte. Ze keek om, maar herkende de auto niet. Er stapte iemand uit. Laura vond het eng, ze mocht niet met vreemden meegaan en deze persoon zag er niet bekend uit. Wegrennen kon ze niet. Het was een vrouw, die met een op en neer waaiende paraplu naar haar toe kwam. Ze vroeg of ze kon helpen. Ze klonk heel vriendelijk en Laura voelde zich ineens niet meer alleen. Deze aardige dame kwam haar redden, ze had zeker niks kwaads in de zin, vond Laura. De vrouw stelde voor om eerst Laura’s moeder te bellen, zodat zij wist wat er aan de hand was. Laura noemde het nummer en de vrouw belde. Ze hoorde de vrouw zich voorstellen aan haar moeder als Claire de la Fontaine. Ze voerde een beetje een zakelijk gesprek met haar moeder, maar dat was juist wel fijn, iemand die in deze situatie zakelijk te werk ging. Claire zou Laura thuisbrengen, haar moeder leek daar iets tegenin te brengen, maar Claire ging daar niet op in. ‘We zijn er over vijf minuten’, hoorde ze Claire zeggen en toen deed ze haar telefoon weg. Het idee dat ze in een warme auto kon stappen stond Laura wel aan. De fiets kon niet mee, die zou haar vader later wel ophalen. Laura strompelde naar de auto van Claire. Claire hielp haar, ze zag dat Laura pijn had.

Laura was nog nooit zo blij geweest haar eigen huis te zien. Ze probeerde te stoppen met huilen, maar het lukte niet. Toen ze haar moeder zag begon ze nog harder te huilen. Wat was ze bang geweest en ze had ook zoveel pijn. De kapotte fiets zat haar ook niet lekker. Natuurlijk kon ze er niks aan doen, maar ze vond het vreselijk vervelend. Het was een fijne fiets en nu was hij kapot. Haar moeder troostte haar en bedankte Claire wel honderd keer. Ze vroeg of ze een kopje thee wilde, maar Claire moest snel door naar een belangrijke afspraak. Laura bedankte Claire ook. Ze was zo blij dat Claire haar had thuis gebracht.

Laura hinkelde naar de bank, waar haar moeder voorzichtig haar laars uit deed. Haar enkel was inderdaad gezwollen en blauw. Haar broek bleek kapot en op haar hand zaten bloedende schrammen. Ook haar ellenboog voelde beurs aan. Mama verzorgde al haar wonden en legde haar enkel omhoog. Toen haalde ze een droge broek voor Laura en gaf haar een kop warme thee. Pas daarna wilde haar moeder het hele verhaal horen. Nog een beetje snikkend vertelde Laura wat er gebeurd was. Ook haar zieke broertje, die al weer wat was opgeknapt, kwam haar troosten. Hij vond het zo vervelend dat ze alleen had moeten fietsen. Als hij niet ziek was geweest, dan had hij haar zeker geholpen, zei hij. Dat vond Laura erg lief van hem.

Enkele dagen later was er van de meeste wonden niets meer te zien. Ze kon weer voorzichtig lopen en haar vader had haar fiets laten repareren. Laura moest nog vaak denken aan het nare ongeluk, wat gelukkig goed was afgelopen door de hulp van Claire de la Fontaine, maar voorlopig fietste ze niet meer alleen naar huis als er een storm op komst was.

 

Nicole Martens, oktober 2018

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.