Avontuur op Kaapverdië

Een speciaal verhaaltje voor Morris

Een aantal maanden geleden is Morris met zijn vader en moeder verhuisd naar Kaapverdië. Kaapverdië ligt vlakbij Afrika, ter hoogte van de evenaar ongeveer. Het is er het hele jaar door lekker warm. ‘Altijd zomer!’ had Morris geroepen toen ze er daadwerkelijk heen vlogen om er te gaan wonen. Morris had het wel een beetje moeilijk gehad met het vertrek uit Nederland. Hij moest zijn klasgenoten missen en zijn vriendjes en zijn voetbalteam. Maar het idee dat hij daar ging wonen waar het altijd zomer was, vond hij ook wel erg prettig. ‘Je maakt er vast snel weer nieuwe vriendjes,’ had zijn moeder gezegd.

Morris was al eerder op Kaapverdië geweest. Maar dat was dan voor vakantie. Nu zijn ze er echt naar toe verhuisd en dan is het niet altijd meer vakantie, want Morris moet ook gewoon naar school. In het begin vond hij het heel erg lastig op school. De mensen op Kaapverdië praten Creools. Dat lijkt heel erg op Portugees, maar ook dat sprak Morris nog niet heel goed. Inmiddels kan hij wel iedereen verstaan en ratelt hij hele gesprekken met zijn vriendjes in het Creools. Soms moet hij zelfs wat voor zijn ouders vertalen! Dat vindt Morris heel stoer. 

Kaapverdië bestaat uit verschillende eilanden. Er zijn dus veel stranden, waar Morris vaak met zijn vriendjes heen gaat. Ze voetballen op het strand, of nemen een duik in de oceaan. Morris geniet van de bijzondere dieren die hij op Kaapverdië ziet. In plaats van de Hollandse koeien, kijkt hij nu naar walvissen die ver in de oceaan zwemmen, maar omdat ze zo groot zijn, kun je ze vanaf het strand vaak zien zwemmen. Morris heeft het erg naar zijn zin. Hij is veel buiten en mist het koude, natte weer van Nederland totaal niet. 

Het is druk op het strand. In veel landen zijn de vakanties begonnen, waardoor er veel toeristen zijn op Kaapverdië. Morris moet even wennen aan de drukte, maar vindt het ook wel gezellig. Als hij met zijn vriendjes op het strand staat te voetballen, komt er een jongetje aangelopen. Hij vraagt aan hen, in het Engels, of hij mee mag doen. Eerst verstaan Morris en zijn vriendjes de jongen niet, maar met wat gebaren erbij, begrijpen ze wat hij bedoelt. ‘Natuurlijk mag hij meedoen,’ zegt Morris in het Creools. De jongens knikken naar het nieuwe jongetje en samen schoppen ze bal rond. Ze hebben veel plezier samen. Dan wordt het jongetje geroepen door zijn moeder; ‘Bas, kom je wat eten?’ Morris kijkt verbaasd op. Het jongetje komt uit Nederland! Dat is leuk. ‘He, Bas, kom je uit Nederland?’ vraagt Morris nieuwsgierig. Bas kijkt verrast. ‘Ja, we zijn op vakantie hier. Ben jij ook op vakantie en spreken jullie allemaal Nederlands?’ vraagt Bas terwijl hij de jongens aankijkt. Maar de vrienden van Morris hebben geen idee waar het over gaat, zij verstaan immers geen Nederlands. Snel vertaalt Morris voor de jongens wat Bas zegt. Dan zegt hij tegen Bas: ‘Ik woon hier nu, maar ik kom wel uit Nederland.’ Bas kijkt met grote ogen. ‘Wow, dat lijkt me gaaf om hier te wonen!’ roept hij. 

Morris loopt met Bas mee naar zijn ouders. ‘Mam, Morris woont hier! Maar hij komt uit Nederland.’ De moeder van Bas kijkt Morris aan. ‘Dat is leuk! Woon je hier al lang en vind je het leuk?’ vraagt ze Morris. ‘We wonen hier nu bijna 8 maanden geloof ik. Tot nu toe vind ik het wel erg leuk hier. Soms mis ik mijn vriendjes en familie in Nederland wel, maar ik heb hier ook al veel vrienden.’ Bas zijn moeder knikt begrijpend. ‘Het was vast een heel avontuur om hierheen te verhuizen?’ ‘Ja, best wel, maar het is ook wel een leuk avontuur hoor,’ antwoordt Morris. ‘Zal ik Bas wat van het eiland laten zien? Ik ken de weg aardig goed hier.’ Bas staat meteen te springen van ongeduld. ‘Mag het mam, mag ik met Morris mee?’ Bas zijn moeder kijkt een beetje bedenkelijk. Twee jonge knullen, alleen over een onbekend eiland. Zou dat wel veilig zijn? ‘Denk je dat dat veilig is?’ vraagt ze aan Morris. Morris knikt. ‘Jawel hoor, ik weet precies waar ik wel en niet kan komen, ik zal goed op Bas passen. In welk hotel zitten jullie? Dan breng ik hem daar wel naar toe als we klaar zijn.’ De moeder van Bas geeft een kaartje van het hotel, dat ze toevallig in haar tas heeft zitten. ‘Mag ik misschien ook jouw adres hebben van je huis?’ vraagt ze. ‘Natuurlijk, ik zal het even opschrijven.’ Zegt Morris. 

Dan vertrekken de jongens op avontuur over het eiland. ‘Er zijn veel leuke dingen te zien hoor hier, ik zal je straks ook mijn huis laten zien, goed?’ zegt Morris. ‘Ja, leuk! Ik ben heel benieuwd.’ Terwijl ze richting de stad wandelen komt Morris er achter dat Bas net als hij ook 9 is en op voetballen zit. De jongens kunnen het goed vinden samen. Eerst komen ze langs de school van Morris. Bas kijkt zijn ogen uit. De school ziet er heel anders uit dan zijn eigen school in Nederland. Het schoolplein lijkt veel groter. ‘We doen ook heel veel buiten,’ zegt Morris, ‘want het is hier bijna altijd mooi weer. Winter kennen we hier niet, het regent wel eens of het waait hard, maar het is nooit koud.’ ‘Oh, dat lijkt me echt top, nooit kou!’ zegt Bas. 

‘Kom, we lopen verder, ik wil je de stad hier laten zien,’ zegt Morris. Gezellig kletsend over van alles en nog wat lopen ze verder. Het is een lange rechte weg naar het stadje. Er staan weinig huizen, maar de huizen die er staan zijn heel groot. De straat is hier en daar hobbelig, waardoor sommige auto’s die voorbij rijden hard rammelen als ze over de hobbels rijden. In het begin schrikt Bas er een beetje van, maar na een paar hard rammelende auto’s kijkt hij er niet meer van op. Zomaar ineens begint de stad, zo lijkt het. Het is druk op de stoep en overal rijden auto’s. Er zijn heel veel kleine winkeltjes met leuke spulletjes. Bas ziet een soort bakker en iets wat op een slager lijkt. ‘Wat is het hier gezellig!’ zegt Bas. Morris knikt. Hij vindt het ook heel gezellig. Ze kijken in wat winkeltjes en komen vervolgens bij een kleine markt terecht. Er zijn veel toeristen, het is er druk. Even lijkt het of ze elkaar kwijt zijn geraakt in de menigte, maar ze vinden elkaar snel weer terug. ‘Ik vind het hier een beetje druk, zullen we ergens anders heen gaan?’ vraagt Bas. ‘Ja, da’s goed. Hier in de buurt is een ruïne van een oud kasteel of een oude kerk, ik weet het niet meer, maar daar kunnen we wel even naar toe gaan. Het is op een berg of heuvel. Van daar boven heb je ook een mooi uitzicht.’ Zegt Morris. Bas is benieuwd en volgt Morris een rustige straat in. ‘Het is wel nog een stukje lopen hoor, kijk, in de verte kan je de berg al zien.’  Morris wijst. Bas ziet wat Morris bedoelt. ‘Het is een heuvel denk ik,’ zegt hij, ‘bergen zijn echt hoger hoor.’ 

Na een flinke klim komen ze op de heuvel aan. Borris ziet wat resten van muren en torens. De ruïne vindt hij wel aardig, maar het uitzicht is echt geweldig. Je kan de zee zien en in de verte een ander eiland. Er varen bootjes en ook zien ze in de verte een paar walvissen zwemmen. ‘Jammer dat ik mijn verrekijker niet heb meegenomen!’ zegt Bas. ‘Wat is het hier mooi zeg!’ ‘Ja, vet he, ik vind het ook heel gaaf hier,’ zegt Morris. Ze lopen om de ruïne heen om overal ook het uitzicht te bewonderen. ‘Laten we aan deze kant naar beneden gaan,’ zegt Morris, ‘volgens mij weet ik de weg dan ook wel naar huis.’ Bas volgt hem naar beneden. Dat gaat een stuk sneller. Onderaan de heuvel twijfelt Morris even over welke kant ze uit moeten, maar al snel besluit hij dat ze linksaf moeten. Ze lopen een hele poos terwijl ze elkaar van alles vertellen. Morris let niet goed op waar ze heen gaan en als er een groot kruispunt aankomt realiseert hij zich dat hij eigenlijk geen idee heeft waar ze zijn. ‘Eh Bas, ik geloof niet dat ik hier al eens eerder ben geweest. Ik weet niet zo goed waar we nu heen moeten.’ Bas schrikt. Hij dacht dat Morris overal de weg kende. “En nu, wat moeten we nu doen?’ vraagt hij angstig. Morris kijkt achterom. Hij ziet niet eens de heuvel met de ruïne meer, zo ver hebben ze al gelopen. Er is weinig verkeer op straat en mensen lopen er nauwelijks, dus kunnen ze aan niemand vragen waar ze heen moeten. ‘Even nadenken hoor en even goed kijken,‘ zegt Morris, ‘ik vind de weg heus wel.’ ‘Ik ben moe van al het lopen,’ zegt Bas. ‘Ik wil wel naar huis.’ Morris knikt. Hij is ook moe, zijn voeten doen pijn. Hij kijkt nog eens goed rond, op zoek naar een punt van herkenning. Heel in de verte ziet hij een groot gebouw, waarvan hij denkt dat hij het herkent. Het staat vlakbij het gezellige centrum waar ze eerder doorheen gewandeld zijn. Verheugd roept Morris: ‘We moeten die kant op, ik weet het zeker!’ Bas kijkt hem vragend aan. ‘Weet je het echt zeker?’ ‘Ik denk het wel. Kom, nog even volhouden Bas, het komt goed.’ Bas kan niet anders dan vertrouwen op Morris en loopt met hem mee in de richting van het grote gebouw. De jongens hebben even niks meer te zeggen. Bas bedenkt dat zijn moeder wel ongerust zal zijn. Ze zijn immers al uren weg. Morris voelt zich schuldig omdat hij niet goed heeft opgelet. Hij voelt zich verantwoordelijk voor Bas en is bang dat zowel zijn ouders als die van Bas boos zullen zijn omdat ze zo vreselijk lang weg zijn. Zwijgend lopen ze stevig door want ze willen allebei graag terug naar hun ouders. 

Als ze eindelijk bij het grote gebouw zijn ziet Morris dat hij gelijk had. ‘Nu ken ik de weg weer hoor, we zijn nu zo bij mijn huis!’ zegt hij opgewekt. Bas wordt weer wat vrolijker. ‘Het was wel heel ver lopen man, maar je hebt me wel mooie dingen laten zien.’ Zegt Bas. ‘Ja, het was heel ver. Sorry dat we verdwaald waren Bas, ik voel me echt heel schuldig,’ zegt Morris zachtjes. ‘Joh, dat hoeft toch niet, we zijn nu toch weer bijna thuis! Het was gewoon een groot avontuur!’ zegt Bas stoer, maar hij is wel heel blij dat Morris de weg weer heeft gevonden. Hij was toch wel een klein beetje bang. 

Een kwartiertje later komen ze bij het huis van Morris aan. Daar zijn ook de ouders van Bas. De ouders zitten heel gezellig met elkaar te kletsen en merken de jongens in eerste instantie niet eens op. ‘We zijn er weer!’ roept Morris. Morris’ moeder kijkt verrast op. ‘Zo, dat werd tijd, het is al half 5! Waar zijn jullie helemaal geweest?’ vraagt ze. Morris vertelt hoe ze gelopen zijn en dat hij vanaf de ruïne de verkeerde weg had genomen en dat hij toen even de weg kwijt was. Morris is bang dat zijn moeder boos wordt, maar gelukkig is dat niet zo. ‘Wat goed dat je de weg weer hebt gevonden,’ zegt ze. ‘Jullie zullen wel dorst hebben, kom, dan schenk ik wat in.’ Bas en Morris kijken elkaar verbaasd aan. Ook Bas zijn ouders zijn helemaal niet boos. Ze vragen of hij het leuk heeft gehad. Bas knikt. ‘Ja, maar ik ben wel heel moe van al het lopen,’ zegt hij. Dat begrijpen zijn ouders wel. ‘We vonden het wel lang duren, voordat jullie terug kwamen, dus zijn we maar naar het huis van Morris gegaan. Morris moeder zei ons dat jullie echt vanzelf terug zouden komen en dat er weinig kon gebeuren op het eiland. Toen raakten we aan de praat en zo waren we zelf ook de tijd helemaal vergeten!’ legt Bas zijn moeder uit. Bas en Morris moeten er om lachen. Het was een avontuur met wel een beetje een spannend einde, maar gelukkig kwam het toch allemaal goed. 

Nicole Martens, juli 2020

2 antwoorden op “Avontuur op Kaapverdië”

  1. Beste Nicole,
    Ik vond het verhaal super leuk! Het lijkt heel erg op dingen die ik echt heb meegemaakt en dat vind ik supercool!
    Dankjewel dat je over en voor mij hebt geschreven!
    Groetjes uit Kaapverdië van Morris.

    1. Beste Morris,
      Dankjewel voor je reactie. Wat fijn om te lezen dat je het verhaaltje leuk vond! Heel veel plezier nog daar in Kaapverdie!
      Groetjes, Nicole

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.