De boomhut en de boeven

Een speciaal verhaaltje voor Jorn

Achter het huis van Jorn begon het bos. De bomen waren er hoog en hadden veel bladeren, zodat er op sommige plaatsen nauwelijks zonlicht doorheen kwam. Jorn speelde er graag met zijn vriendjes. Uren kon hij zich vermaken in het bos. Hij kwam er bijna nooit iemand tegen, want de wandelroute lag nog een stuk verder weg. Enkele jaren geleden had zijn vader een boomhut gebouwd in een grote oude eik, die op vijf minuten lopen van hun huis stond. Het was een geweldige hut geworden met een touwladder, die je omhoog kon trekken als je in de hut was, zodat er niemand meer naar boven kon komen. De hut was best ruim, je kon er met zijn drieën gemakkelijk in. Er waren raampjes aan alle kanten, zodat je vreemden altijd op tijd kon zien aankomen.

Jorn had de hut gezellig gemaakt met een klein tafeltje met een kleedje erover en nog wat andere spulletjes. Ook had hij er touw en gereedschap, dat vond hij handig om altijd bij de hand te hebben. Soms gebruikte hij ook walkie talkie’s, zodat hij vanaf de hut met zijn moeder of iemand anders thuis kon praten. Als het warm weer was, kwam zijn moeder vaak koude limonade brengen in de hut voor Jorn en zijn vriendjes. Een keer ook kwam ze met ijsjes. Dat vond Jorn echt geweldig. De touwladder ging dan snel naar beneden!

Jorn zat met zijn twee beste vrienden in de boomhut. Het was lente, de bomen werden al een beetje groen en de zon zorgde ervoor dat het niet zo koud meer was. ‘Wat zullen we spelen?’ vroeg Max. Jorn en Erwin keken Max aan. Dat was een goede vraag, ze wisten het eigenlijk niet zo goed. ‘Eh, tja, zullen we doen dat dit het hoofdkantoor van de politie is?’ vroeg Jorn na een korte stilte. Max knikte. ‘Dat is wel leuk, maar wat doen we dan precies?’ vroeg Erwin. Nog voordat Jorn kon antwoorden waren ze ineens alle drie stil omdat ze geritsel in de struiken onder de hut hoorden. De hut was vanaf de grond niet heel goed zichtbaar, omdat er takken met bladeren onder de hut waren. Je moest echt weten dat de hut er was, anders viel hij niet op. Jorn legde zijn vinger op zijn mond om de anderen aan te geven dat ze stil moesten zijn. Heel voorzichtig opende hij het luik, waarlangs je de hut uit kon klimmen. Hij kon precies door de takken kijken en zag op de grond iets zwarts. Hij wenkte Erwin en Max om te komen kijken. Het zwarte bewoog in de struiken. Het leek op een man met een zwarte pet of iets anders zwarts op zijn hoofd. ‘Het is een man! Wat doet die nou hier?!’ fluisterde Max. Erwin en Jorn haalden hun schouders op en keken weer door het luik om te zien wat er gebeurde. Ineens kwam er nog iemand aan gerend met een vuilniszak in zijn armen. De zak leek vol te zitten met iets, maar wat, dat konden de jongens niet zien. De twee mannen spraken met elkaar. Het was nauwelijks te verstaan voor de jongens. Door de wind ritselden de bladeren en in de verte hoorden ze ineens sirenes. Erwin wist alles van sirenes en kon dan ook vertellen dat het de sirenes van een politieauto waren. ‘Wow, zouden die twee mannen boeven zijn en dat de politie ze dan zoekt?’ vroeg Max een beetje benauwd. Jorn knikte. ‘Dat zou best eens kunnen! Spannend! Ik heb de politie altijd al willen helpen met boeven vangen.’ Jorn glunderde, dit werd de middag van zijn leven! ‘Maar hoe kunnen we ze vangen? Ze zijn toch veel sterker dan wij?’ zei Erwin. Eén van de mannen leek omhoog te kijken. De jongens waren iets luider gaan praten door hun enthousiasme en waren bijna gehoord door de mannen in de struiken onder de boomhut. Verschrikt schoten ze bij het luik weg en hielden hun adem in. Dit was wel heel erg spannend allemaal. Ze konden de hut niet uit, maar ze konden ook niemand waarschuwen, want de walkie talkie’s lagen nog in huis. 

Voorzichtig tuurde Jorn weer door het luik. Hij zag de mannen met hun handen een gat graven vlak naast de boom, tussen de struiken. ‘Ze gaan die zak begraven denk ik,’ fluisterde hij tegen Erwin en Max. ‘Als ze nou zo meteen weg zijn, dan kunnen we de politie waarschuwen,’ zei Jorn. De jongens knikten. Jorn keek rond in de hut en vond in het kleine kastje een stukje papier en een potlood. ‘Wat ga je doen?’ vroeg Erwin zachtjes. ‘Ik schrijf even op hoe ze eruit zien en wat ze aan hebben. Dat zal de politie vast vragen en misschien ben ik het dan wel vergeten.’ Max stak zijn duim goedkeurend omhoog. Wat was die Jorn toch een slimme jongen, die zou later vast echt bij de politie gaan werken. De drie jongens keken nog eens goed naar de mannen, die druk bezig waren om de volle vuilniszak in de grond te proppen. Dat lukte niet echt, want de zak was te groot en het gat te klein. Ze hadden geen schep, waardoor ze met hun handen hadden moeten graven. Uiteindelijk legden ze over de zak nog wat takken en bladeren. ‘Nou zullen ze zo wel gaan,’ fluisterde Erwin. Max vond dat een fijn idee. Dan konden ze eindelijk te hut uit en de politie waarschuwen. Hij vond de twee mannen toch wel eng. 

Maar de mannen gingen niet meteen weg. Ze hielden zich nog een tijdje rustig in de bosjes, totdat het geluid van de sirenes niet meer te horen was. Toen pas stonden ze op en trokken hun jassen uit, die ze binnenstebuiten weer aandeden. Blijkbaar waren de jassen aan twee kanten te dragen, maar omdat de kleur totaal anders was, leken het nu twee compleet andere mannen. Vlug schreef Jorn de nieuwe informatie op zijn blaadje. ‘Ze gaan weg!’ fluisterde Erwin plotseling. Max en Jorn keken door het luik en zagen de mannen wegrennen in de richting van het wandelpad. ‘Kom, vlug, naar huis en de politie waarschuwen!’ riep Jorn en hij liet snel de touwladder zakken. Nog nooit waren ze zo snel beneden geweest. Rennend bereikten ze buiten adem het huis van Jorn. Zijn moeder keek verbaasd. ‘Werden jullie achterna gezeten ofzo?’ zei ze met een glimlach. ‘Nee, nee, we moeten de politie waarschuwen, waar is de telefoon, wat is het nummer?’ riep Jorn. Zijn moeder keek direct zorgelijk. ‘Wat is er gebeurd?’ ‘Erwin, vertel jij het maar aan mijn moeder, dan bel ik de politie,’ beval Jorn. Erwin probeerde het verhaal zo goed mogelijk te vertellen, maar hij was nog buiten adem van het rennen. Met horten en stoten vertelde hij van de mannen en de vuilniszak en de sirenes. Moeder wilde allerlei vragen stellen, maar merkte toen dat Jorn de politie al aan de telefoon had. Ze hoorde Jorn het verhaal aan de telefoon vertellen. Jorn vertelde heel zakelijk wat er was gebeurd en las een briefje voor dat hij bij zich had. Jorns moeder verbaasde zich er over hoe keurig en netjes Jorn de politie te woord stond. Toen hij ophing vroeg ze: ‘en nu?’ ‘Ze komen er zo aan. We moeten de plek in het bos aanwijzen en ze hebben vast nog wat vragen voor ons, denk ik.’ Jorn keek heel stoer. Hij was apetrots op zichzelf en op zijn vrienden. ‘Zijn jullie niet heel erg geschrokken? Was het niet ongelooflijk eng?’ vroeg zijn moeder toen. De jongens haalden hun schouders op, ‘het viel wel mee, ze hebben ons niet gezien,’ zei Max. 

Moeder schonk wat te drinken in voor de vrienden en terwijl zij hun glaasjes leegdronken ging de voordeurbel. Twee agenten stonden er voor de deur. ‘We zijn op zoek naar Jorn en zijn vrienden,’ hoorde Jorn een mannenstem zeggen. ‘Loopt u maar mee naar de keuken,’ antwoordde zijn moeder. Toen de agenten binnenkwamen was de keuken meteen vol. Het waren dan ook twee hele grote mannen. Max vond het een beetje spannend ineens. ‘Wie van jullie is Jorn?’ vroeg de blonde agent. ‘Dat ben ik!’ riep Jorn en hij veerde op. De agenten gaven hem een hand en toen aan Erwin en Max. Jorn voelde zich heel belangrijk. ‘Kun je ons de plek van je boomhut laten zien? We willen daar graag zo snel mogelijk gaan kijken, voordat de mannen terugkomen om hun buit te halen.’ Dat begreep Jorn wel. ‘Kom maar mee,’ zei hij en hij liep de keuken uit, met de agenten achter zich aan en daarna Erwin en Max en zijn moeder. Het was een hele optocht. Buiten de achtertuin stond nog een aantal agenten op hen te wachten, zag Jorn. Hij genoot. Hij hoopte wel dat de buit er nog lag, want anders zou alles voor niks zijn geweest en dan leek het net of hij de politie voor niks had laten komen. Op een drafje liep hij richting de boomhut. Daar aangekomen zag hij dat de touwladder nog naar beneden hing. Ze waren zo snel naar huis gerend blijkbaar, dat ze de ladder vergeten waren op te trekken! ‘Hier is het,’ zei Jorn en hij wees naar de struiken onder de boomhut. Er werden eerst foto’s genomen en toen gingen een paar andere agenten op onderzoek uit tussen de struiken. Al snel hadden ze de vuilniszak gevonden. Jorn zuchtte opgelucht, de buit lag er dus nog. Voorzichtig werd de zak afgevoerd, hij moest nog onderzocht worden op sporen natuurlijk. Maar Jorn wilde wel heel graag weten wat er in de zak zat. Max en Erwin waren ook erg nieuwsgierig. ‘Wat zit er in de zak?’ vroeg Jorn, een beetje brutaal, maar hij vond dat hij als tipgever toch wel mocht weten waar het allemaal over ging. ‘De mannen die jullie hebben gezien, hebben net een juwelier overvallen in het dorp. In de vuilniszak zitten allemaal sieraden en horloges! De juwelier zal wel blij zijn dat alles terecht is. Jullie hebben heel goed werk verricht mannen!’ zei de eerste agent. ‘Wow man, het waren echte overvallers!’ zei Max vol ontzag. Jorn en Erwin keken geboeid naar hoe de agenten te werk gingen. De plek werd met rood/wit lint afgezet en tot op de centimeter onderzocht naar sporen. ‘Kunnen we jullie nog wat vragen stellen?’ vroeg een van de agenten. ‘Natuurlijk!’ zei Jorn enthousiast. ‘Laten we even terug naar het huis lopen, dan maak ik koffie,’ zei zijn moeder. Dat deden ze. Ruim een half uur lang stelden de agenten allerlei vragen, waarop de jongens om beurten antwoord gaven. 

Toen de agenten weggingen waren de jongens ineens doodmoe. ‘Wat een avontuur,’ zuchtte Erwin. Jorn en Max knikten. Het was zeker een avontuur! Max en Erwin hadden thuis ook nog heel wat te vertellen, hoewel hun ouders al wel wat wisten, omdat ze de vele politieauto’s in de straat hadden zien staan en de moeder van Jorn hen al een beetje had ingelicht. Ze gingen snel naar huis om daar hun verhaal nog eens te doen. 

De volgende dag werd Jorn gebeld door de juwelier die beroofd was door de twee mannen. De juwelier wilde de jongens graag bedanken en vroeg of ze die middag naar de winkel wilden komen. Jorn haalde Max en Erwin op en gezamenlijk gingen ze naar de juwelier. De man was ongelooflijk blij dat hij alle sieraden en horloges terug had. Om hen te bedanken mochten ze alle drie een mooi horloge uitzoeken en daar waren de jongens dan weer ongelooflijk blij mee. Er was ook een andere meneer en een fotograaf aanwezig. De meneer schreef een stuk voor in de krant over de overval en over de jongens. De fotograaf maakte een foto van hen samen voor bij het stuk. ‘We komen in de krant!’ jubelde Erwin blij op weg naar huis. Ook Max en Jorn waren heel erg blij met hun nieuwe horloge en met hun foto in de krant. ‘Wat zullen ze opkijken op school!’ lachte Jorn. Hij zag de gezichten van zijn klasgenootjes al voor zich maandag. 

In de krant van de volgende dag stond een geweldige foto van de drie vrienden, met een mooi verhaal erbij. Ook las Jorn dat de boeven inmiddels gepakt waren, dankzij de beschrijving van Jorn, die hij zo keurig op dat kleine stukje papier had gemaakt. Eind goed, al goed!

Nicole Martens, februari 2020 

Eén antwoord op “De boomhut en de boeven”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.