De snoepwinkel en de monsters

Een speciaal verhaaltje voor Roel

In het stadje waar Roel woonde was nog een ouderwetse snoepwinkel. Een oud omaatje verkocht er snoepjes in alle soorten en maten. Je kon er nog snoepjes kopen voor 5 cent per stuk, zoals een lolly of een reuze toffee. Het rook er heerlijk zoet en het was voor ieder kind in het dorp een feestje om erheen te gaan. Als het vakantie was, mocht Roel ook een zak snoep scheppen in het snoepwinkeltje. Roel wist heel goed dat snoepen niet gezond was, maar in de vakanties mocht dat best, vond zijn moeder. Roel vond dat natuurlijk heel erg leuk, en lekker!

Op de eerste zaterdag van de meivakantie ging Roel met zijn moeder naar het snoepwinkeltje. Maar het zag er anders uit dan anders. Roel liep er vaak langs en kon dus heel goed zien dat er nu iets aan de hand was. Hij duwde de deur van de winkel open. Er klonk een belletje, zoals altijd als iemand de deur opendeed. Dat was nog heel gewoon, maar de winkel zelf was een hele grote bende. De vloer lag bezaaid met snoepjes, potten waren omgevallen en sommigen waren zelfs kapot. Roel zag lolly’s met geknakte stokjes en zuurstokken die platgetrapt leken te zijn. ‘Wat is hier gebeurd?!’ vroeg hij ontzet. Het omaatje, die door iedereen ook wel Oma Ansje werd genoemd, stond met een angstig gezicht achter de toonbank. Roel zijn moeder liep naar haar toe en sloeg een arm om haar heen. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze zachtjes aan Oma Ansje. Het was duidelijk dat Oma Ansje nog geen woord kon uitbrengen, het was blijkbaar net gebeurd en ze was duidelijk in shock. Roel liep snel naar achteren om een glaasje water te halen voor Oma Ansje. Voorzichtig nam ze een paar kleine slokjes en stopte toen een zuurtje in haar mond. Dat hielp. ‘Er, er waren eh…. Er waren monsters. Ze, ze hebben alles overhoop gehaald,’ hakkelde ze. ‘Monsters?’, vroeg Roel zijn moeder verbaasd. Oma Ansje knikte. ‘Monsters bestaan toch helemaal niet? Waren het geen verklede kinderen?’ vroeg Roels moeder. Oma Ansje schudde heftig haar hoofd. ‘Nee, het waren echt monsters,’ klonk ze ineens een stuk minder geschrokken. Roel kon zijn oren niet geloven. Monsters, wie verzint nou zoiets. ‘Ze hebben alleen heel veel snoep meegenomen, geen geld,’ zei Oma Ansje. ‘Wat raar!’ zei Roels moeder. Ook zij begreep Oma Ansje niet zo goed. Ze keek Roel aan met een vragende blik. ‘Ik weet het ook niet,’ zei hij zachtjes en haalde zijn schouders op. ‘Zullen we helpen opruimen? Dan ziet het er zo weer gezellig uit,’ zei Roel. Oma Ansje knikte, ‘dat zou heel fijn zijn.’ 

Roel en zijn moeder begonnen direct met het opruimen van de snoepjes. Potten werden rechtgezet, scherven werden bij elkaar geveegd en in de prullenbak gedaan. Kapotte lolly’s en zuurstokken gingen ook in de prullenbak en alle andere losliggende snoepjes werden weer netjes in de juiste potten terug gedaan. Roel vond het wel moeilijk om niet stiekem een snoepje in zijn mond te stoppen. Hij was, net zoals alle andere kinderen, natuurlijk dol op snoep. Maar hij wist heel goed dat dat niet mocht. Na een half uurtje zag het snoepwinkeltje er weer uit alsof er niks gebeurd was. Als dank voor het opruimen mocht Roel van Oma Ansje een grote zak snoep gratis mee naar huis nemen. Roel schepte naar hartenlust al zijn lievelingssnoepjes in een grote zak. Hij glunderde, zo’n grote zak snoep had hij nog nooit gehad!

Net toen Roel en zijn moeder de winkel wilden uitlopen, vloog de deur open. Een stuk of vijf bijzondere wezens met groene hoofden en knalrode haren renden de winkel binnen. Ze waren ongeveer net zo groot als Roel en droegen hele rare kleren. Hun voeten, ze hadden geen schoenen aan, waren net zo groen als hun hoofd, maar hun handen waren felblauw van kleur. Roel en zijn moeder deinsden achteruit en keken verbaasd naar de bijzondere wezens. ‘Oh nee, niet weer!’ gilde Oma Ansje. De wezens, of ook wel monsters genoemd door Oma Ansje, graaiden om zich heen. Ze stootten potten om en al snel lag de vloer weer bezaaid met snoep. De monsters droegen allemaal een soort tas, waar de snoepjes in verdwenen. Roel was te verbaasd om iets te zeggen en voor hij het wist renden de monsters weer naar buiten en was de winkel weer net zo’n grote bende als een uurtje geleden. Zonder zich nog langer te bedenken, gooide hij de grote zak snoep naar zijn moeder en rende hij de winkel uit, achter de monsters aan. Toevallig kwam zijn beste vriend Alexander net voorbij. ‘Kom, help me!’ riep Roel terwijl hij nog harder ging rennen. Alexander was nieuwsgierig en rende met Roel mee. ‘Waar ga je heen? Wat is er aan de hand?’ riep hij naar Roel. Alexander kon hem bijna niet bijhouden, zo hard rende Roel. ‘Volg me, ik leg het je zo wel uit!’ schreeuwde Roel. 

De jongens renden om het hardst. Zonder te kijken staken ze een weg over, het ging gelukkig goed, ze sprongen over een muurtje en renden door poortjes. De monsters konden heel hard rennen en het was lastig om ze bij te houden, maar Roel kon ze nog steeds volgen omdat hun kleding zo wijd was en alle kanten op wapperden, zodat hij bij iedere hoek nog net kon zien welke kant ze oprenden. Uiteindelijk kwamen ze bij het park aan, dat midden in het dorp lag. Roel en Alexander waren buiten adem. De monsters verdwenen achter een struik en Roel stopte met rennen. ‘Oh, ik heb steken in mijn zij,’ pufte Alexander. Roel knikte met een rood hoofd. ‘Ik ook,’ hijgde hij. ‘Maar waar renden we nou eigenlijk zo hard voor?’ vroeg Alexander. Roel moest even op adem komen, voordat hij het verhaal van de snoepwinkel en de rare wezens kon vertellen. Alexander keek hem vragend aan. ‘Monsters? Monsters die snoep stelen? Voel jij je wel helemaal goed? Loop ik daar zo hard voor te rennen? Waar zijn ze nu dan?’ Het was duidelijk dat Alexander het verhaal niet helemaal geloofde. Hij had ook de hele tijd achter Roel aan gerend en de monsters niet goed kunnen zien. ‘Het is echt waar, ik heb ze zelf gezien. Ze zijn achter die struiken daar verdwenen, dus daar gaan we nu kijken. En dan halen we het snoep terug en vertellen we ze dat ze het nooit meer mogen doen.’ Zei Roel vastberaden. ‘Nou oké, laten we maar gaan kijken,’ zei Alexander. Hij geloofde er nog steeds niets van, dus hij was ook niet echt bang. 

Roel liep naar de struiken en liep tussen twee bosjes door. Er was niks te zien. ‘Zie je wel, onzin!’ zei Alexander meteen. Maar Roel wist zeker dat de monsters hier ergens moesten zitten. Hij had ze zelf zien verdwijnen tussen de struiken. Het kon gewoon niet anders. Hij keek heel goed om zich heen en wurmde zich nog verder door het struikgewas. Ineens zag hij enkele struiken die een soort poort leken te vormen. Het was een kleine boog, waar je op je knieën onderdoor kon kruipen. ‘Kom, hier moeten we door, ik weet het zeker!’ zei Roel zachtjes. Alexander moest lachen. ‘Ja natuurlijk, een geheime poort! Hahahaha, nou ik ga wel meer hoor.’ Roel zakte op zijn knieën en kroop onder de boog van struiken door. Ineens gleed hij een stuk naar beneden. Hij schrok, maar voordat hij echt bang werd stond hij weer op zijn voeten. Verward keek hij om zich heen en voelde toen een harde bonk. Bijna viel hij voorover, hij kon zich nog net staande houden. Alexander was tegen hem aan gegleden. De jongens keken nu samen naar de bijzondere wereld waar ze in beland waren. Het gras leek wel groener dan normaal. De bomen leken hoger en de stammen bruiner. De zon scheen feller en de lucht was nog nooit zo blauw geweest. ‘Het lijkt wel een tekening waarin we terecht zijn gekomen,’ fluisterde Roel. Alexander knikte. Hij vond het nu toch wel heel erg spannend. ‘Laten we bij elkaar blijven,’ zei hij met een bibberende stem. 

In de verte klonk het geluid van etende wezens. Smakken en slurpen, geknisper van papiertjes en hier en daar een luide boer. ‘Volgens mij zitten ze al het snoep op te eten. Wat klinkt dat vies zeg!’ zei Roel. ‘Echt ongelooflijk smerig!’ beaamde Alexander. ‘Laten we gaan kijken of we met hen kunnen praten, we zijn hier niet voor niks toch?’ zei Roel en dapper liep hij in de richting van het geluid. Alexander volgde hem op de voet. Niet veel verder zagen ze de monsters in een kringetje op het gras zitten. In het midden lag een grote berg snoep. De monsters, het waren er een stuk of tien, zaten allemaal te smullen. Het maakte echt een geweldig kabaal nu ze zo dichtbij waren. Voor het eerst zag Alexander wat Roel bedoeld had met zijn monster verhaal. Ook al hadden de monsters felle kleuren en best aardige hoofden, hij vond ze ongelooflijk eng. ‘Laten we teruggaan Roel, dit is echt te eng hoor!’ hij trok Roel aan zijn mouw om hem mee terug te nemen. Maar Roel trok zijn arm los. ‘Nee, we zijn hier nou en ik ga het oplossen. Volgens mij zijn ze niet boos. Ze moeten alleen niks meer stelen en van de winkel van Oma Ansje niet meer zo’n puinhoop maken. Dat kan gewoon niet!’ Vastberaden liep hij op het groepje monsters af. Alexander bleef op een afstand staan kijken. Hij wist niet goed wat hij moest doen. Hij wilde zijn vriend helpen, maar was zo bang dat hij het liefste naar huis zou rennen, zo hard mogelijk. Roel liep door en riep toen hij vlakbij de monsters was: ‘He jullie daar!’ Een paar monsters keken zijn kant uit. Roel schrok een beetje. Ze zagen er van dichtbij toch niet zo heel aardig uit eigenlijk. Maar hij liet zich niet afschrikken. ‘Jullie kunnen dat snoep niet zomaar stelen uit het snoepwinkeltje!’ riep hij boos. De monsters keken hem vragend aan. ‘Och, ze spreken geen Nederlands misschien,’ zei Roel hardop. Maar voordat hij kon bedenken hoe hij hen dan kon aanspreken zei een van de monsters: ‘Wat is stelen?’ Het klonk best aardig en Roel durfde wat dichterbij te komen. ‘Stelen is als je iets pakt van iemand, dat niet van jou is en dat je er dan ook niet voor betaalt. Dat snoep is van Oma Ansje. Als je snoep wilt hebben uit haar winkeltje, dan moet je daarvoor betalen. Dat mag je niet zomaar pakken en zeker niet zo’n rommel maken, zoals jullie doen!’ De monsters keken elkaar verbaasd aan. Blijkbaar was dit allemaal nieuw voor hen. ‘Wat is betalen?’ vroeg de grootste. ‘Dat je geld geeft voor het snoep dat je wilt kopen,’ antwoordde Roel. Alexander was dichterbij gekomen toen hij zag dat Roel een rustig gesprek met de monsters kon voeren. Hij vond ze er nog steeds raar en een beetje viezig uitzien, ondanks de gezellige kleuren die ze hadden. ‘We hebben geen geld,’ zei toen een ander monster. Roel dacht even na. Toen zei hij: ‘Oké, nou luister, als jullie beloven dat jullie niet meer zomaar de winkel in rennen en alles overhoop halen, dan zal ik ervoor zorgen dat ik snoepjes bij jullie kom brengen. Iedereen schrikt zich rot van jullie, dat is vast niet de bedoeling.’ De monsters knikten instemmend. ‘Goed, we zullen niet meer zomaar de winkel inrennen, maar kom je dan snel met snoep?’ vroeg de grootste. ‘Ja ik kom over een paar dagen met snoep. Voor nu hebben jullie wel even genoeg denk ik.’ 

Roel en Alexander liepen de weg terug. Ze kwamen bij een schuine helling. ‘Hier zijn we net vanaf gegleden denk ik. Laten we ertegen omhoog klimmen,’ zei Roel. Toen Roel zijn voet op het schuine stuk zette, ontstond er ineens een trap en konden de jongens heel gemakkelijk naar boven klimmen. Ze doken onder de boog van struiken door en stonden ineens weer in het park. ‘Nou, dat was wel heel raar allemaal,’ zei Alexander die nog een beetje schrik in zijn benen had. ‘Maar hoe ga je nou regelen dat je snoep kan brengen? Heb je gezien hoeveel ze eten, dat kan jij toch nooit betalen?’ ‘Ik ga even met Oma Ansje overleggen. Misschien heeft zij wel een oplossing. Als ze niet telkens haar winkeltje overhoop halen, wil ze misschien wel wat snoep gratis geven voor hen,’ zei Roel. Alexander vond het een briljant idee. Roel was best slim en dapper, vond hij. 

Oma Ansje was blij om de jongens weer te zien. Ook Roel zijn moeder was ontzettend blij dat Roel weer veilig terug was. Ze had niet zo goed geweten wat ze moest doen, maar de jongens hadden zo hard gerend, dat had ze niet bij kunnen houden. Roel vertelde het verhaal van de monsters. Hij vertelde niet precies hoe hij ze had gevonden, want dat wilde hij liever geheim houden. Als de monsters gewoon in hun eigen wereldje bleven, dan was er niks aan de hand. Als iedereen hen daar zou gaan opzoeken, kon het nog wel eens fout gaan, had hij bedacht. Oma Ansje was erg blij om te horen dat ze niet meer haar winkeltje zouden binnenstormen. Ze beloofde om elke week een flinke zak snoep aan Roel mee te geven, zodat hij die naar de monsters kon brengen. Dat vonden Roel en Alexander ongelooflijk tof van haar. 

Toen Roel en zijn moeder thuiskwamen met de grote zak snoep die Roel eerder had gekregen, was het al laat in de middag. Zijn vader vroeg waar ze al die tijd gebleven waren. Roel vertelde het hele verhaal. Zijn vader keek verbaasd naar zijn vrouw, hij geloofde weinig van alles wat Roel vertelde, maar zijn vrouw keek alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Hij haalde zijn schouders op. ‘Het zal wel,’ mompelde hij, ‘zullen we nu wat gaan eten?’ ‘Eerst wil ik een snoepje! Ik ben de hele dag met snoepjes bezig geweest, maar heb er nog geen één gegeten!’ zei Roel verontwaardigd. Hij knoopte de zak open en stak een lange zure mat in zijn mond. ‘Oh, lekker zeg!’ riep hij met volle mond. 

Nicole Martens, maart 2020 

Eén antwoord op “De snoepwinkel en de monsters”

  1. Ik heb het net verteld aan mijn kids. Mijn zoontjes van 6 en 9 jaar vonden het een leuk en spannend verhaal . Vooral op dat moment dat ze bij de geheime poort kwamen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.