Hans de kever

Amalia was niet zo dol op kleine beestjes. Nu het weer lente werd, kwamen de vliegen en spinnetjes weer tevoorschijn. Alles wat van die kleine zwarte pootjes heeft vond Amalia vies en eng. Vooral spinnen vond ze afschuwelijk, maar soms zaten er ook van die kleine zwarte beestjes, die langs de plint liepen, die vond ze het aller engste. Haar moeder zei dat het kevertjes waren en dat ze echt niks doen, maar Amalia moest er niets van hebben en elke keer als ze een spin of een kever of iets anders zwarts zag dat bewoog, riep ze hard om haar vader die dan het beest in kwestie kwam verwijderen, terwijl zij op haar bed met haar voeten in de lucht lag. Gelukkig hadden ze in huis niet heel veel beestjes, want haar moeder stofzuigde vaak en hield alles goed schoon, maar in het voorjaar leek het wel of alle diertjes uit hun winterslaap tevoorschijn kwamen. 

Amalia hield van de zon en van buiten spelen, maar ook buiten waren er overal kleine beestjes. Ze woonden midden in de grote stad, maar dat leek niet heel veel uit te maken, er waren overal beestjes. Haar moeder bleef haar vertellen dat ze niet bang hoefde te zijn. De kleine zwarte beestjes deden echt niks. Voor wespen moest ze wel uitkijken en voor bijen, maar dat wist Amalia wel en die vond ze toch minder eng. 

Op een dag wilden haar ouders een boswandeling gaan maken. Amalia vond het heerlijk om door de bossen te lopen en ze sjouwde dan met takken en klom op omgevallen bomen. Maar ook daar leefden heel veel beestjes. ‘Doe maar net of je ze niet ziet,’ zei haar moeder. En dat probeerde Amalia ook, maar dat viel niet altijd mee. Amalia was wat verder van het wandelpad gelopen, omdat ze tussen de bomen een soort hut zag. Daar wilde ze wel even gaan kijken. Er stonden allemaal dikke takken tegen elkaar aan en er lagen takken met bladeren overheen. Toen ze er omheen liep ontdekte ze een soort ingang. Voorzichtig stak ze haar hoofd naar binnen. Er was niemand, het was er wel een beetje donker, maar het zag er erg mooi uit. Langzaam stapte ze verder naar binnen en zag ze op de grond twee boomstronken liggen. Dat lijken wel stoeltjes, dacht Amalia. Ze ging zitten op een van de stronken. Op de grond lagen extra veel bladeren, als een soort vloerbedekking. ‘Wat is dit gaaf!’ Zei Amalia hardop. Ze keek bewonderend rond. De hut was heel mooi gemaakt. Terwijl ze net ontspannen zat te genieten, zag ze ineens iets bewegen tussen de bladeren op de grond. Ze schrok en keek nog eens goed om er achter te komen wat daar bewoog. Ineens kwam er een grote dikke kever onder een blad vandaan. Zo groot had Amalia ze nog nooit gezien. Ze was direct zo bang, dat ze niet eens kon gillen en verstijfd op de boomstronk bleef zitten met haar voeten opgetrokken. 

‘Je bent bang voor mij’, hoorde ze een piepend stemmetje zeggen. Ze keek de hut rond en probeerde door de takken heen te kijken of ze daar iemand zag staan. Maar ze zag niemand en keek weer snel naar de enorme kever, die inmiddels recht voor haar op de grond zat. Had ze het nou zelf gedacht, of had ze het echt gehoord? ‘Ik ben Hans, en je hoeft niet bang te zijn voor mij.’ Hoorde ze toen hetzelfde piepstemmetje zeggen. ‘H-h-hans?’ stotterde Amalia. ‘Ja, Hans. En hoe heet jij?’ hoorde ze toen. ‘W-w-wie zegt dat? Ik zie niemand?’ zei Amalia terwijl ze nog eens rondkeek en vanuit haar ooghoeken de kever angstvallig in de gaten hield. Hij moest niet dichterbij komen, want ze durfde niet op te staan en weg te rennen. Die kever was vast sneller dan zij.  ‘Ik zit hier recht voor je, ik ben een kever, kijk maar naar de grond,’ hoorde ze het piepstemmetje zeggen. Amalia geloofde het niet. Een kever kon toch niet praten? Wie zat haar nu voor de gek te houden? Was het haar vader, of misschien haar moeder. Stonden ze dan toch buiten de hut. Ze keek nog eens goed door de takken heen, maar zag echt niemand. ‘Heb je nog nooit een pratende kever gezien?’ zei Hans. ‘N-n-nee,’ stamelde Amalia. ‘Nou ik kan dus praten. En ik zorg ervoor dat kinderen zoals jij niet meer bang zijn voor kevers zoals ik. Wij doen namelijk niks. Wij kunnen geen mensen bijten of steken. Wij zijn heel bang voor jullie! Jullie zijn zo groot en we moeten altijd uitkijken dat jullie ons met je grote voeten niet dood trappen!’ Amalia keek ongeloofwaardig naar Hans. Dat had ze zich nog nooit bedacht. Voor de kever was zij natuurlijk hartstikke groot, ook al was ze nog maar 8 jaar. ‘Maar kevers zien er zo eng uit. En jij bent wel heel erg groot!’ antwoorde Amalia. ‘Jullie zijn er altijd opeens en daar schrik ik van.’ Hans moest even denken en wreef met een voorpootje over zijn gezicht. ‘Dat hoor ik vaker. Als wij lopen maken we geen geluid, dus je hoort ons niet. Dan lijkt het alsof we er ineens zijn. We zitten liever niet in huizen, alleen als het heel koud is buiten, maar liever leven we in het gras of in het bos. Dus als je nou weer eens een familielid van me ziet in huis, wil je die dan naar buiten brengen? Geloof me, ze doen je echt niks.’ Amalia keek bedenkelijk. Het idee om een kever op te pakken en naar buiten te brengen stond haar niet zo aan. Maar ze begreep nu wel dat kevertjes buiten beter af waren. Hans en Amalia praatten nog een tijdje door, totdat Amalia ineens haar naam hoorde roepen. ‘Oh, helemaal vergeten, mijn ouders zoeken me! Ik moet gaan Hans. Dankjewel voor je lieve woorden. Nu hoef ik niet meer bang te zijn voor kevers. Dat is fijn.’ Ze gaf hem zelfs een aaitje over zijn hoofd en rende toen de hut uit. ‘Zie ik je nog een keer?’ riep ze nog, maar het antwoord kon ze niet meer horen. 

‘Waar was je toch?’ vroeg haar moeder ongerust. ‘Ik zat in die hut daar. Iemand heeft hem gebouwd. Hij is heel groot en mooi mam. En toen kwam er een hele grote kever en ik was eerst heel bang, maar toen begon hij te praten. Hij heet Hans…’ Amalia ratelde maar door over wat ze met Hans had besproken. Vader en moeder keken haar verbaasd aan. Een kever die praat? Hans? Een hut? Ze konden het niet helemaal volgen. ‘Begin eens even opnieuw en dan rustig. Kevers kunnen toch niet praten? Ik heb je vast verkeerd begrepen,’ zei mama. Amalia keek een beetje boos. ‘Kevers kunnen wel praten, deze wel, Hans. En weet je mam, kevers zijn hartstikke bang voor ons, want wij zijn heel groot voor hen. Dus nu ben ik niet meer bang voor kevers en we moeten ze voortaan naar buiten brengen, als we ze in huis weer eens zien.’ Vader en moeder keken elkaar aan. ‘Oké, heel goed, wat fijn dat je nu niet meer bang bent voor kevers lieverd en we zullen ze voortaan naar buiten brengen. Laten we nu maar even een ijsje gaan eten op het terras daar,’ zei papa. Terwijl Amalia vooruit huppelde naar het terras keken vader en moeder elkaar vragend aan. Ze vonden het verhaal van Amalia bijzonder vreemd, maar waren heel blij dat ze niet meer bang was voor kevers!

Nicole Martens, mei 2020 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.