Zeilkamp

Bram gaat op zeilkamp. De zomervakantie is net begonnen en dit jaar gaat hij helemaal alleen vier dagen op zeilkamp. Hij vindt het spannend, want hij kent er helemaal niemand en het is best ver van huis. Het zeilkamp is in Friesland en Bram woont in Arnhem. Zijn ouders brengen hem er naar toe en komen hem natuurlijk ook weer ophalen. Gelukkig heeft hij een telefoon, waarmee hij zijn ouders en vrienden berichtjes en foto’s kan sturen. Dan lijkt hij toch niet zo alleen te zijn. 

Bram heeft zijn spullen gepakt. Vooral veel zwembroeken en natuurlijk ook warme truien voor in de avond. Maar ook regenkleding en laarzen, Bram is op alles voorbereid. Ze zullen slapen op een skûtsje, wat hem geweldig lijkt, slapen op een boot! Nu moet hij eerst nog anderhalf uur in de auto zitten. Het is gelukkig niet druk op de weg en zijn vader rijdt lekker door. ‘Vind je het spannend?’ Vraagt zijn moeder, die half omgedraaid op de voorstoel zit. ‘Mwoah, een beetje. Ik hoop gewoon dat er leuke mensen zijn.’ Zegt Bram een beetje stoerder dan hij is. Want eigenlijk vindt hij het ontzettend spannend en heeft hij kriebels in zijn buik van de zenuwen. 

Eindelijk zijn ze bij het kamp. Er is een gebouw, vlakbij het water. Aan de waterkant ziet hij al enkele skûtsjes liggen. Met zijn weekendtas en rugzak in de hand, loopt hij samen met zijn ouders naar het gebouw. De kriebels lijken nog erger te worden. Wat nou als hij straks een rood hoofd krijgt? Lekker handig als je net binnenkomt! Bram slaakt een diepe zucht. ‘Iedereen vindt het spannend Bram, dat is heel normaal hoor,’ reageert zijn moeder op zijn diepe zucht. Ja, dat zal vast, denkt Bram, maar niemand vindt het zo spannend als ik! 

Bij de ingang van het gebouw staan een man en een vrouw met een fel rode trui aan. Er staan witte letters op. Bram bedenkt dat dat de zeilinstructeurs moeten zijn. ‘Hallo, welkom, ik ben Inge en dat is Theo,’ zegt de vrouw. ‘Wie ben jij?’ Ze steekt haar hand naar Bram uit. Bram ontspant meteen. Dit is een fijn welkom! ‘Ik heet Bram Berends,’ zegt Bram. Theo kijkt op een lijst en zet een kruisje. ‘Fijn dat je er bent Bram, kom binnen. Je kan je spullen daar in die hoek zetten. Je ouders mogen ook mee naar binnen. Als iedereen er is zullen we jullie van alles vertellen over het kamp en daarna gaan we afscheid nemen van de ouders.’ Theo knikt vriendelijk naar zijn vader en moeder. Ze lopen naar binnen, waar al enkele kinderen met hun ouders zitten. Bram ziet meisjes en jongens. Op het eerste gezicht ziet het er wel gezellig uit en hij ziet dat die kinderen het ook allemaal spannend lijken te vinden. Dan had zijn moeder toch gelijk!

Als iedereen er is volgt er een voorstel rondje. Bram probeert alle namen te onthouden, maar dat lukt hem niet meteen. Nadat alle regels zijn verteld en de planning voor het kamp is medegedeeld, mogen de ouders vertrekken. Met zijn allen zwaaien ze de ouders uit en dan mogen ze eindelijk naar de boten. Omdat het al middag is, zullen ze vandaag een kleine tocht maken. De jongens gaan op het skûtsje met de blauwe rand. De meiden hebben een boot met een bruine rand. Ook hun spullen mogen ze daar mee naar toe nemen, want ze zullen ook op de boten slapen. Iedereen zoekt een bed uit in het ruim. Het is er krap en laag. Het wordt een beetje wringen langs elkaar heen. Gelukkig komt Theo hen helpen. Al die grote tassen lijken er niet eens in te passen, maar Theo wijst hen de opbergvakken. Dan gaan ze eindelijk los. Er staat een fijne wind en de zon laat zich ook af en toe zien. De jongens zijn als eerste weg en varen al snel midden op het Sneekermeer. Theo schreeuwt aanwijzingen over de boot naar alle jongens. Hoe is het mogelijk dat hij iedereen al bij naam kent? Denkt Bram, die druk bezig is met touwen en knopen. Alle jongens hebben zeilervaring, anders mocht je niet mee. Maar zeilen op een skûtsje is wel even wat anders! Theo is gelukkig niet de enige leider op de boot, ook Pascal hoort bij het zeilkamp en leert hen een heleboel. De boot van de meisjes is helemaal niet te zien, ze zitten ook midden op het grote meer, zo lijkt het dan, want Bram moet goed kijken om de kant nog te kunnen zien. Hij werkt samen met Bob, een leuke jongen die al vaker op een skûtsje heeft gezeild en zelf in Groningen woont. Ze staan gezellig te kletsen als Theo ineens over de boot rent en schreeuwt ‘Allemaal zwemvesten aan!’ Bob en Bram kijken om zich heen. Wat is dat nou? Ze zien iedereen ineens rondlopen en er lijkt enige paniek te zijn. ‘Wat is er? Gaan we zinken ofzo?’ roept Bob. Dan wijst een van de jongens omhoog. Bram en Bob kijken om en schrikken. Er komt een grote gitzwarte wolk aan.  Dat ziet er niet best uit. ‘Dat wordt noodweer!’ roept Bob. ‘Ik heb het eerder meegemaakt. Dit wordt geen pretje Bram, doe snel een zwemvest aan!’ 

De grote zwarte wolk komt snel dichterbij. Het water wordt onstuimiger en de boot deint woest op en neer. De zeilen klapperen in de veranderende wind. Het wordt echt donker en Bram vindt het eng worden. Ze proberen zo snel mogelijk terug te komen naar de aanlegplaats, maar ze hebben wind tegen en moeten heel vaak overstag. Het is hard werken! Eén jongen wordt misselijk door het woeste schommelen van de boot. Hij ziet bleek en hangt over de reling. De andere jongens werken goed samen. Theo en Pascal schreeuwen orders naar elkaar en naar de jongens, maar ze zijn moeilijk te verstaan omdat de wind zo hard huilt. Dan begint het ineens keihard te regenen. Omdat het donker is en de regen er met bakken tegelijk uitvalt, is het zicht heel slecht. Bram hoopt maar dat ze de goede kant op varen. Hij ziet geen hand voor ogen. Zijn kleren zijn doorweekt, hij sopt in zijn sneakers en het water gutst over zijn gezicht. Er was geen tijd om regenkleding aan te doen, dus iedereen is binnen een paar minuten doorweekt. Als ze voor de zoveelste keer overstag gaan, gaat de boot zo scheef dat Bram werkelijk denkt dat ze om zullen slaan. Maar net dan valt de wind een seconde weg en komt de boot weer op het water terecht. ‘Wow!’ roept Bram. Hij kijkt naar Bob. Bob had het eerder meegemaakt, maar ook hij ziet nu toch een beetje bleek. Er is geen tijd om te kletsen nu. Je kan elkaar ook nauwelijks verstaan. Het water klapt tegen de boot en de regen valt hard op het dek. Iedereen doet zijn best om de boot en henzelf heelhuids terug te krijgen bij de aanlegplaats, maar de spanning stijgt. Bram voelt tranen prikken achter zijn ogen. Hij vindt het nu doodeng en vraagt zich af waarom hij zo graag op zeilkamp wilde. Dit had hij van tevoren niet bedacht! Hij is inmiddels doodmoe van het sleuren aan de touwen en de inspanning om zichzelf overeind te houden op het gladde, kletsnatte dek. We redden het nooit! Denkt hij. Maar juist op dat moment ziet hij ineens dat de kant vlakbij is. En daar is de inham naar de aanlegplaats! ‘We zijn er! We hebben het gehaald!’ roept hij blij. Gejuich stijgt op uit de monden van de kletsnatte jongens. Je voelt de opluchting over het dek gaan. Wat een belevenis! Terwijl ze de inham invaren zien ze dat de boot van de meiden er gelukkig al ligt. Omdat ze iets later vertrokken hadden ze de bui eerder zien aankomen en waren ze direct omgekeerd. 

Eenmaal veilig aan land zijn de jongens allemaal heel stoer. Ze hebben de grootste verhalen tegen de meisjes en niemand vertelt erbij hoe bang hij is geweest, want dat is natuurlijk niet stoer!

De overige dagen van het kamp verlopen wat minder spannend. Het weer is goed, veel zon en genoeg wind om lekker te zeilen. Bram heeft ontzettend veel plezier en maakt veel nieuwe vrienden. Telefoonnummers worden uitgewisseld en ze spreken af om volgend jaar weer in Sneek bij elkaar te komen. 

Nicole Martens, augustus 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.